Info bij het winterconcert 2013

Carmen is een opera (oorspronkelijk een opéra comique) in vier bedrijven van de componist Georges Bizet (1838-1875). De eerste opvoering vond plaats in Parijs (Opéra-Comique) op 3 maart 1875.

Bizet kreeg na de uitvoering van zijn succesvolle stuk Djamileh de opdracht een nieuw werk te schrijven voor het Opéra-Comique-theater. Zijn opéra comique op basis van Prosper Mérimées novelle Carmen stuitte echter op verzet, omdat het onderwerp te uitdagend zou zijn voor het publiek van het familietheater. De componist werd gedwongen zijn stuk op een aantal punten te wijzigen en de nadruk meer op de eenvoudige Micaëla en andere "conventionele" personages te leggen. De grote steun van titelrolvertolkster Célestine Galli-Marié behoedde Bizet voor nog ingrijpendere wijzigingen.

Bizet gaf met het onderwerp in zijn opera Carmen de aanzet tot het verisme, een operagenre dat vijftien jaar later tot volle ontwikkeling zou komen en vooral de Italiaanse opera zou domineren. In dit opzicht kan Bizet beschouwd worden als een pionier.

De première werd geen groot succes, hoewel de reacties ook niet eensluidend negatief waren. Na 48 voorstellingen werd de productie in februari 1876 van het podium gehaald. De herleving kwam acht jaar later, in april 1883. Toen Galli-Marié in oktober van dat jaar de titelrol weer ging vertolken stroomde de zaal keer op keer vol. In 1904 kende de opéra comique zijn duizendste voorstelling.

Ondertussen was Carmen buiten Frankrijk zeer populair geworden. Al op 23 oktober 1875 (Bizet was kort daarvoor, op 3 juni, overleden) ging een door Ernest Guiraud bewerkte versie in première in Wenen. De voor de opéra comique kenmerkende gesproken dialogen waren in deze uitvoering vervangen door gezongen recitatieven. Andere steden volgden al snel: Antwerpen, Brussel en Boedapest in 1876, Sint-Petersburg, Stockholm, Londen, Dublin en New York in 1878. Carmen kreeg een mythische status en de Habanera ("L'amour est un oiseau rebelle..."), de eerste aria van de titelrol, is uitgegroeid tot een van de bekendste uit het gehele operarepertoire.

Terwijl de opera de wereld veroverde, werd het werk keer op keer aangepast aan plaatselijke conventies. De oorspronkelijke opéra comique wordt zelden nog opgevoerd, maar de "oerversie" beleefde nog wel een comeback in het jaar 1970. Sindsdien wordt ook die steeds vaker weer opgevoerd.

Eerste bedrijf

Op een plein in Sevilla, gedomineerd door een sigarenfabriek, houdt een groepje soldaten de wacht. Wanneer de mooie Micaëla ten tonele verschijnt trekt zij onmiddellijk de aandacht van de verveelde soldaten, die haar aanspreken. Ze blijkt op zoek te zijn naar de korporaal Don José; aangezien hij er nog niet is proberen de soldaten haar over te halen bij hen te wachten tot de aflossing en onderwijl wat te praten. Micaëla, toonbeeld van rechtschapenheid, weigert en slaat op de vlucht wanneer de soldaten aandringen.

De wisseling van de wacht dient zich aan en Don José verschijnt samen met Zuniga op het plein, waar zijn medesoldaten hem vertellen over het meisje dat hem zocht. Don José beseft meteen dat het zijn dorpsgenote Micaëla moet zijn geweest. Op hetzelfde moment komen de meisjes van de sigarenfabriek naar buiten voor een pauze. De rokende vrouwen ontpoppen zich door hun geflirt met de soldaten en burgers op het plein als de tegenpolen van de kuise Micaëla. De meest uitdagende van hen is Carmen, die al gauw omringd wordt door een stel aanbidders. Carmen maakt hen (in haar eerste aria) echter duidelijk dat de liefde voor haar niets meer dan een spel is. Wanneer ze de flegmatiek op Micaëla wachtende Don José opmerkt, werpt ze hem verleidelijk een cassia-bloem toe, om vervolgens weer in de fabriek te verdwijnen. De verbijsterde Don José weet niet wat hij met het mysterieuze geflirt aanmoet, is ervan overtuigd dat Carmen een heks is, maar houdt de bloem wel bij zich.

Veel tijd om over het wonderlijke voorval na te denken heeft hij echter niet, want Micaëla heeft hem inmiddels gevonden. Zij brengt Don José een brief van zijn moeder en kust hem namens haar, hetgeen hen beiden, naïef, in verlegenheid brengt. De precieze inhoud van de brief wordt niet uit de doeken gedaan, maar nadat Don José hem heeft gelezen besluit hij zijn moeder te gehoorzamen: hij zal zijn beminde Micaëla trouwen en terugkeren naar zijn geboortedorp.

Het samenzijn van Micaëla en José wordt abrupt verstoord door onlusten bij de sigarenfabriek: Carmen blijkt een ander meisje aangevallen te hebben en Don José moet haar arresteren. Zodra Carmen alleen met hem is weet ze José in te palmen door hem haar liefde te beloven. Hij gelooft haar en helpt Carmen te ontsnappen.

Tweede bedrijf

In de herberg van Lillas Pastia gaat alle aandacht uit naar de op de tafels dansende Carmen. Zuniga en vooral de stierenvechter Escamillo kunnen hun ogen niet van haar afhouden. Zoals Michaëla de absolute tegenpool is van Carmen, staat de stoere, krachtige Escamillo in groot contrast tot de plichtsgetrouwe en naïeve Don José. Escamillo is een man die een vrouw als Carmen wel aankan en zij valt dan ook meteen voor hem. Desondanks gaat ze nog niet in op zijn avances, deels uit plagerij, deels omdat ze Don José, die wegens zijn medeplichtigheid aan Carmens ontsnapping de gevangenis is ingegaan en gedegradeerd is, nog niet wil opgeven.

Carmen bekokstooft ondertussen een smokkelactie met een aantal van haar medezigeuners. Eigenlijk wil ze deze keer niet meedoen en het smokkelaarsleven vaarwel zeggen vanwege haar liefde voor de soldaat Don José. Haar vrienden zijn niet onder de indruk. Zij hebben dit vaker gehoord en Carmens romances duren toch nooit langer dan een maand...

Carmen beëindigt het gesprek met haar kompanen als Don José, net die avond vrijgekomen, naar de herberg onderweg blijkt te zijn. Ze zorgt dat Escamillo en Zuniga uit de buurt zijn, zodat ze alleen met José is. Don José blijkt verscheurd tussen twee werelden: hij is hopeloos verliefd op Carmen, maar wil ook zijn plicht als soldaat naleven. Carmens temperament speelt hem echter al snel parten: ze maakt hem jaloers, probeert hem zover te krijgen met de smokkelaars de bergen in te trekken en de twee krijgen ruzie. Don José staat op het punt te vertrekken en Carmen definitief te verlaten als Zuniga ten tonele verschijnt om zijn liefde aan Carmen te verklaren. Het komt tot een gevecht om haar gunsten tussen de jaloerse José en zijn meerdere. Don José wint en staat voor een moeilijke keuze: deserteren om zich bij de smokkelaars te voegen, of opnieuw een zware straf ondergaan. Hij kiest voor het eerste, zij het met tegenzin.

Derde bedrijf

Aangekomen in de schuilplaats van de smokkelaars, blijkt dat het mis is tussen Don José en Carmen. Zij heeft genoeg van hem, maar hij houdt nog steeds van haar. Om het eindeloze geruzie tussen de twee te stoppen wordt Don José zo ver mogelijk van Carmen weg gestuurd; hij moet verderop de wacht gaan houden. Ondertussen leest Carmen met haar vriendinnen de kaarten. Ze ziet de dood - het tragische einde van het verhaal wordt aangekondigd.

Escamillo heeft de smokkelaars gevonden en verschijnt ten tonele om Carmen het hof te maken. Don José wordt opnieuw verscheurd door jaloezie en daagt Escamillo uit tot een duel. Vanzelfsprekend domineert de toreador het gevecht, maar door een gelukkig toeval kan Don José hem toch overmeesteren. Voordat hij Escamillo echter de genadeslag kan geven komt Carmen tussen beide. Escamillo verheugt zich over het feit dat Carmen zijn leven gered heeft en zegt dat hij gewoon maar even langs kwam om haar uit te nodigen voor zijn eerstvolgende stierengevecht. Carmen stemt in, hetgeen Don José nog jaloerser maakt.

Plotseling verschijnt Micaëla, die José smeekt zijn stervende moeder een laatste keer op te zoeken. Carmen is blij met deze wending: eindelijk zal ze van die sullige Don José verlost zijn. Don José moet wel met Micaëla meegaan, maar weet ook dat Carmen zich verheugt over zijn vertrek. Hij bezweert haar dat zij pas van hem af zal zijn als hij zijn laatste adem heeft uitgeblazen.

Vierde bedrijf

Het stierengevecht van Escamillo is nabij, het plein voor de arena is vol met mensen. Carmen betreedt de arena triomfantelijk aan de zijde van Escamillo, die inmiddels haar minnaar is. Men waarschuwt haar dat ook Don José in de buurt is, maar Carmen is niet bang om met hem geconfronteerd te worden. Plotseling staan ze oog in oog met elkaar. Don José smeekt Carmen om haar liefde, maar ze wijst hem minachtend af en gooit zelfs zijn ring in zijn gezicht. Ze zal bij haar woord blijven: voorbij is voorbij. Josés smeekbede slaat om in woede en jaloezie, hij begint Carmen te bedreigen met zijn mes, haar verzekerend dat hij haar zal doden als ze niet terug bij hem komt. Carmen zal echter nog liever sterven dan aan hem toegeven en zo haar vrijheid te verliezen. Don José kan zijn emoties niet langer bedwingen en steekt haar neer, op hetzelfde moment dat Escamillo de stier in de arena doodt. Het publiek roept bravo, feestelijke muziek weerklinkt. Wanneer de toeschouwers in volle feeststemming de arena verlaten, treffen ze Don José met een bebloed mes bij het dode lichaam van Carmen aan. Ontnuchterd bekent hij haar gedood te hebben. Hoe oprecht zijn liefde was blijkt wel uit de laatste woorden van de opera, gezongen door een huilende Don José die het lichaam van Carmen in zijn armen heeft genomen: "Ma Carmen adorée!". Mijn geliefde Carmen!

(info vanuit Wikipedia)

 

 

DER ZIGEUNERBARON

Der Zigeunerbaron is een operette in drie bedrijven van Johann Strauss jr.. Het libretto is geschreven door Ignaz Schnitzer en gebaseerd op de novelle Saffi van Mór Jókai. Op 24 oktober 1885 vond de première plaats in het Theater an der Wien in Wenen. Het bleek, al tijdens Strauss' leven, een populaire operette te zijn, bijna even succesvol als Die Fledermaus.

De operette vertelt een verhaal dat zich afspeelde in het Hongarije van de 18e eeuw. Het werk aan de "Zigeunerbaron" verliep echter niet helemaal zonder problemen, maar als Johann Strauss op 24 oktober 1885 in het Theater an der Wien voor een enthousiast publiek de wereldpremière kan dirigeren, beleeft hij het grootste toneelsucces van zijn carrière. Met 87 opvoeringen "en suite" was de "Zigeunerbaron" zelfs succesvoller dan de "Fledermaus". Tijdens het leven van de componist werd dit werk al in meer dan 140 theaters uitgevoerd. Het verhaal - Hongarije; 18e eeuw

Eerste Bedrijf > Sandor Barinkay, vergezeld van Conte Carnero, de koninklijke commissaris, keert na vele jaren van ballingschap terug naar zijn familielandgoed. Carnero, die verantwoordelijk is voor de officiële teruggave van het landgoed, probeert de zigeunerin Czipra over te halen om getuige te zijn van de akte, maar ze is analfabeet en zegt dat ze wel de hand kan lezen. Czipra voorspelt een trouwe echtgenote voor Barinkay, die hem zal leiden naar verborgen schatten. Een andere getuige is Zsupan, de rijke maar eveneens ongeletterde varkensboer, die misnoegd is om de terugkeer van Barinkay omdat hij jaren lang gratis de landerijen heeft kunnen gebruiken voor eigen doeleinden. Om geen kwaad bloed te zetten stelt Barinkay voor dat hij Zsupans dochter Arsena tot bruid zal nemen. Zsupan is het ermee eens, maar Arsena weigert om met hem te trouwen, omdat zijn sociale rang te laag is voor haar. Ze overweegt alleen met een baron te trouwen. In feite is Arsena verliefd op Ottokar, de zoon van de gouvernante Mirabella en hij op haar, en is ze niet van plan iemand anders te huwen. Barinkay, die beledigd is door haar afwijzing, voelt zich aangetrokken door het gezang van Saffi, de dochter van Czipra, dat hem enigszins doet terugdenken aan zijn kinderjaren. Wanneer Czipra de zigeuners vertelt dat Barinkay de wettige eigenaar is van het kasteel en de landerijen, maken ze van hem hun leider, de “zigeunerbaron”. Nu hij een baron is, vraagt Barinkay, Arsena opnieuw ten huwelijk, maar ook deze keer wijst ze hem af. Hij keert zich dan tot Saffi en zij wijst hem niet af. Ze besluiten te trouwen, tot grote woede van Zsupan.

Tweede Bedrijf > Czipra bracht de nacht door in de ruïnes van het kasteel samen met Saffi en Barinkay en vertelt hen dat ze droomde dat ze de legendarische begraven schat op het landgoed van Barinkay ontdekte. De schat wordt heel vlug gevonden en ze keren terug naar het zigeunerkamp, waar ze Zsupan ontmoeten. Hij is vastberaden om Barinkay het leven moeilijk te maken en hij heeft Carnero met zich meegebracht om officieel een klacht in te dienen over de immorele relatie tussen Barinkay en Saffi. Carnero is niet onder de indruk van Barinkay's verklaring dat hij en Saffi gehuwd zijn volgens de zigeunerwet, maar voordat hij tot actie kan overgaan, worden ze onderbroken door de komst van graaf Peter Homonay, de provinciegouverneur, die mannen komt rekruteren voor de oorlog tegen Spanje. Zsupan en Ottokar moeten zich engageren, en wanneer Czipra vertelt dat Saffi eigenlijk haar dochter niet is maar het kind van een belangrijke Turkse Pasja, meent Barinkay dat hij van veel te lage afkomst is in vergelijking met haar, en ziet geen andere mogelijkheid dan haar te verlaten en zich ook bij het leger te voegen.

Derde Bedrijf > De oorlog is voorbij en er zijn grote feesten in Wenen. Ottokar heeft zijn Arsena teruggevonden. Barinkay, die een adellijke titel heeft gekregen, verliest geen tijd door zijn geliefde Saffi op te eisen.



9e Symphonie 'uit de nieuwe wereld' van Dvorak

Symfonie nr. 9 in E-mineur "Uit de nieuwe wereld" Op. 95, is  Dvoraks bekendste en laatste symfonie, zijn Negende (vroeger jarenlang ten onrechte bekend als de Vijfde), is een van de populairste werken in zijn genre. Hij componeerde het werk in 1893 tijdens zijn verblijf in de Verenigde Staten. De symfonie ging in première op 16 december 1893 in de Carnegie Hall gespeeld door het New York Philharmonic en gedirigeerd door Anton Seidl.

Toen Dvorak in 1892 vaste voet aan de grond zette in de Verenigde Staten, wist hij dat grote dingen van hem werden verwacht. “Blijkbaar moet ik ze de weg naar het beloofde land wijzen en naar het koninkrijk van een nieuwe, onafhankelijke kunst; kortom, om  aan nieuwe, nationale muziek te scheppen”. Dat schreef hij naar huis en het feit dat zijn komst samenviel met de viering van Columbus’ ontdekking van Amerika versterkte zijn gevoel van belast te zijn met een bijzondere missie.De Nieuwe Wereld symfonie is een soort muzikale retourreis die enerzijds voorwaarts reist naar de frisse weiden van het nog jonge land en daarna terug naar het vertrouwde Bohemen met zijn flora en fauna en het hart van de Tsjechische folklore.

Een eigenlijk wat buitenissig instrument, verwarrend Engelse hoorn genoemd terwijl het feite om een althobo gaat, heeft Dvorak in het tweede deel een tot succesnummer geworden melodie toevertrouwd die nog steeds standhoudt in allerlei arrangementen; die melodie komt in het Largo van deze symfonie voor. Het bewuste traditioneel vierdelige werk ontstond tussen 9 februari en 24 mei 1893 en werd voor het eerst uitgevoerd op 15 december dat jaar door het New York filharmonisch orkest onder leiding van Anton Seidl.

Als Legenda aangeduid, verhaalt de muziek over talloze dingen, treurig en fraai (en heel fraai treurig). Wat hier wordt gearticuleerd, is puur heimwee. De componist was op uitnodiging van het conservatorium naar New York gekomen en verbleef in de V.S. waar hij onder andere ook de specifieke muzikale expressie van Indianen en Zwarten leerde kennen. Maar de Nieuwe Wereld symfonie is toch vooral een aan Slowakije gerichte liefdesverklaring.

De bekendste thema’s uit dit nostalgische werk zijn intussen vaak misbruikt door TV producers en reclamemensen die geen weet hebben van zijn ontstaan ter ere van het vierde eeuwfeest van de ontdekking van Amerika door Columbus (net zomin als de meeste luisteraars trouwens). Hoewel zo volkomen Boheems van aard, zei Dvorak zelf over het werk: “De invloed van de V.S. kan worden vastgesteld door iedereen die over een neus beschikt”. Zeker, de muziek is heerlijk melodieus en briljant georkestreerd voor een groot orkest. Maar het is ook een lang werk dat in verkeerde handen langdradig kan aandoen. Onderstaande uitvoerenden hebben daar echter geen last van.



DE LUSTIGE WEDUWE

Franz Lehár (Komárom (Komárno), 30 april 1870 - Bad Ischl, 24 oktober 1948) was een Oostenrijk-Hongaarse componist en dirigent, vooral bekend door zijn operettes.

Lehár werd geboren in Komárom (Hongarije - Komárno (nu in Slowakije)) als oudste zoon van een orkestleider in het leger. Hij studeerde viool en compositie maar kreeg van Antonín Dvořák te horen dat hij maar beter zijn viool kon laten liggen en zich moest toeleggen op het schrijven van muziek.

Lehár heeft zich vrijwel uitsluitend aan de operette gewijd. Van zijn ongeveer dertig operettes in de Weense traditie zijn Die lustige Witwe (1905), Der Graf von Luxemburg (1909) en Das Land des Lächelns het bekendst.

De Lustige Witwe speelt zich af tijdens het interbellum in de Parijse antiekzaak ‘Das Vaterland & Sohn’. Eigenaar Mirko Zeta en zijn tweede vrouw Valencienne organiseren een afscheidsdrink met het personeel. De zaak is er immers erg slecht aan toe door de beurscrash en de verminderde koopkracht van haar cliënteel. De firma zal de boeken moeten neerleggen indien er niet snel véél geld op tafel komt. De rijke onweerstaanbare weduwe Hanna Glawari kan uitkomst bieden…Met Die Lustige Witwe schreef de Oostenrijks-Hongaarse componist Franz Lehár dé succesoperette van de 20ste eeuw. Deze kaskraker, die in hetzelfde jaar als Richard Strauss' Salome in première ging (1905), toont een rijke allochtone Parijse gemeenschap in het begin van de vorige eeuw. 
Graaf Danilo ontmoet zijn oude liefde Hanna, die ooit berooid was maar nadien huwde met een welstellende bankier. Danillo is secretaris aan de ambassade van de Balkanstaat Pontevedro. De ambassadeur wil Danilo en Hanna terug bij elkaar brengen omdat Hanna's fortuin anders naar een Parijzenaar zou gaan en niet naar het economisch wankelijke Pontevedro! Dat is het startschot voor een dolle komedie met tal van verwikkelingen...



THE GIRL WITH THE FLAXEN HAIR

Claude Achille Debussy (1862–1918) was een Frans componist die vernieuwing bracht binnen de klassieke muziek.

Hoewel Claude van eenvoudige komaf was en er binnen het gezin Debussy weinig aan muziek werd gedaan, werd zijn talent al vroeg ontdekt. Dankzij bemiddeling van madame Mauté, de schoonmoeder van de dichter Paul Verlaine, mocht hij in 1873 naar het Conservatoire de Paris, waar hij pianoles kreeg van Antoine François Marmontel en harmonieleer van Émile Durand. Ook volgde hij korte tijd lessen bij César Franck.

In 1879 vroeg de weldoenster van Tsjaikovski, gravin Nadjezjda Filaretovna von Meck, aan Marmontel of hij een geschikte jonge pianist wist voor haar huistrio. Hij maakte haar attent op Debussy. Zijn spel viel zodanig in de smaak dat hij in 1882 met de familie von Meck naar Rusland ging.
Na terugkeer volgde hij compositielessen bij Ernest Guiraud, die hem adviseerde eenvoudiger te schrijven, wilde hij in aanmerking komen voor de Prix de Rome.

In 1884 lukte hem dit met zijn cantate L'enfant prodigue, hoewel de componist Charles Gounod, die hem als genie beschouwde, voor hem in de bres moest springen. De toekenning van de prijs stelde Debussy in staat twee jaar in Rome te werken en te studeren. Dit overigens niet naar eigen genoegen, want het verblijf aldaar werd door hem als een kwelling ervaren. Hij zei niet tegen het klimaat te kunnen, zich niet te interesseren voor de antieke kunst en zich regelrecht te ergeren aan de feesten die hij moest bijwonen. Hier schreef hij het orkeststuk Printemps, dat door de jury in Parijs werd weggehoond. De secretaris van de Académie schreef in zijn rapport dat het zeer wenselijk zou zijn als Debussy zich niet verloor in dit soort impressionisme, dat hij als een van de gevaarlijkste vijanden van kunstwerken beschouwde. Debussy was inmiddels bezig aan een derde werk, getiteld La Demoiselle élue, op een vertaalde tekst van Dante Gabriel Rossetti, maar voor hij het voltooid had was hij al uit Rome vertrokken, nog voor de twee jaren voorbij waren. De jury weigerde Printemps uit te voeren, waarop Debussy zich verzette tegen een uitvoering van La Demoiselle élue. Hiermee was de breuk tussen hem en de leiders van de Académie volkomen.

Gedurende een bezoek aan Bayreuth (1888-89) kwam Debussy in contact met de muziek van Richard Wagner, die een dwingende greep op zijn werk leek te krijgen. Tijdens de Wereldtentoonstelling van Parijs in 1889 raakte hij echter onder de bekoring van Spaanse en vooral ook Javaanse muziek, met name van de klanken van de gamelan. Hierdoor lukte het hem onder de invloed van Wagner uit te komen en een hoogst oorspronkelijke, eigen klanktaal te ontwikkelen.

In 1899 huwde Debussy met Rosalie Texier, een meisje van eenvoudige komaf, dat hem voorbeeldig terzijde stond in de moeilijke tijd voordat hij bekendheid begon te genieten. In 1904 wenste Debussy echter van haar te scheiden om te kunnen trouwen met hun gezamenlijke vriendin Emma Bardac-Moyse. Door dit tweede huwelijk kwam hij in aanraking met de "betere kringen", hoewel dit niet betekende dat er een einde kwam aan zijn financiële zorgen.

Vanaf 1909 wist Debussy dat hij aan kanker leed. Daarnaast was het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog een grote domper, waardoor hij het maandenlang niet kon opbrengen te componeren. Toch wist hij zich hiervan te herstellen. In deze tijd schreef hij nog werken als de Douze études en de Six sonates pour divers instruments, waarvan hij er overigens slechts drie kon voltooien. Debussy stierf tijdens het laatste Duitse offensief toen Parijs met langeafstandsgeschut en vanuit luchtschepen werd gebombardeerd. Omstandigheden noopten tot een informele begrafenis op het kerkhof van Passy.

De term "impressionisme" wordt vaak gebruikt om muziek van Debussy te omschrijven, hoewel dit door sommigen (ook de toondichter zelf) werd betwist. De term had de negatieve klank van vaagheid en gebrek aan structuur. In een brief uit 1908, schreef de componist: "Ik probeer 'iets anders' te doen – een soort realiteiten – wat door imbecielen 'impressionisme' wordt genoemd". Elders merkte Debussy eens op: "Muziek is gemaakt van kleuren en afgepaste ritmes".

Enkele kenmerken zijn:

  • Veelvuldig gebruik van pedaalnoten;
  • Passages en figuraties die afleiden van het ontbreken van tonaliteit;
  • Veelvuldig gebruik van parallelle akkoorden;
  • Bitonaliteit;
  • Gebruik van de hele-toonstoonladder of de chromatische in plaats van de diatonische toonladder (ook Debussy-toonladder genoemd);
  • Schijnbaar abrupte modulaties, zonder enige aanwijsbare harmonische connectie.
  • Timbre: grote klankverscheidenheid door het gebruik van de hele tessituur, door een grote verscheidenheid aan speelwijzen te vermengen en af te wisselen, door een genuanceerd en zeer intens pedaalgebruik.
  • Invloeden van exotische culturen en schilderingen van legendes, zoals in Pagodes , Ondine en de Prélude à l'après-midi d'un faune

'La fille aux cheveux de lin' is afkomstig uit het pianoboek Préludes(Livre 1) dat Debussy schreef tussen 1909 en 1910.  Het stuk is maar 39 maten lang en duurt slechts 2 min 30 seconden maar is één van de meest bekende werken van Debussy.  Het originele werk staat in Sol b groot. (6 mollen aan de sleutel).



BOLERO (Ravel)

De Bolero of Boléro van Ravel is een ballet, in 1928 gecomponeerd door Maurice Ravel voor Ida Rubinstein. De première was op 22 november 1929. Het stuk heeft kenmerken van een Bolero.

Ravel noemde het stuk muzikaal inhoudloos, maar toch staat het stuk bekend als één van zijn meesterwerken. De Bolero bestaat uit twee thema's, die telkens door andere instrumenten wordt gespeeld. Na twee inleidende maten door de kleine trom wordt het eerste thema ingezet door een enkele fluit, waarna langzamerhand het gehele orkest gaat meedoen, waarbij bij elk opeenvolgende fragment crescendo plaatsvindt. Het stuk duurt ongeveer 15 minuten.

Het stuk is bij veel mensen bekender geworden door de films 'Les Uns et les Autres' en 'Ten'.


MARS VAN HET 1e REGIMENT ARTILLERIE

Simon Poulain (La Louvière, 13 januari 1906 – ?, 3 maart 2004) was een Belgisch componist, muziekpedagoog, militaire kapelmeester, cornettist en trompettist.

Poulain studeerde na een opleiding aan het conservatorium van La Louvière aan het Koninklijk Conservatorium te Bergen (België). Aldaar behaalde hij een eerste prijs voor cornet. Vervolgens studeerde hij harmonie, contrapunt en fuga aan het Koninklijk Conservatorium te Brussel en behaalde daar een eerste prijs trompet in 1928.

Al in 1926 werd hij trompettist in het Groot Harmonieorkest van de Belgische Gidsen te Brussel. In 1934 werd hij militaire kapelmeester van de Muziekkapel van het 2e Linie-Regiment te Gent. In 1937 werd hij dirigent van de Muziekkapel van het 1e Regiment Carabiniers te Brussel en in 1945 dirigent van de Muziekkapel van he 1e Regiment Grenadiers. In 1946 werd hij dirigent van de Muziekkapel van de 4e Brigade der Infanterie, die in Duitsland gestationeerd was. Op 1 januari 1948 werd hij dirigent van het Groot Harmonieorkest van de Belgische Gidsen te Brussel. In deze functie bleef hij tot 31 maart 1957. Gedurende de negen jaar van zijn dirigentschap wist hij talrijke successen in binnen- en buitenland in de wacht te slepen. Van zijn hand zijn er verschillende transcripties en bewerkingen van Belgische en buitenlandse toondichters: Sylvain Dupuis, Godfried Devreese, Toussaint de Sutter, Jean Absil (Peau d'âne), Gaston Brenta, Raymond Moulaert (Symphonie de valses), Marcel Poot (Allegro symphonique), Camille Schmit (Musique pour piano et orchestre), Maurice Ravel, Domenico Cimarosa, Sergej Prokofjev (Symphonie classique), René Bernier en Eugène Bozza (Pax triumphans). Hij werd tot ere-dirigent van de Koninklijke Muziekkapel der Gidsen.

Vervolgens was hij directeur van het conservatorium van La Louvière tot 1975. Hij was eveneens ere-voorzitter van de Franstalige Union des Sociétés Musicales de la Communauté Française de Belgique (U.S.M.).

Hij dirigeerde ook verschillend amateur-blaasorkesten, zoals de Koninklijke harmonie van Morlanwelz, de Union des Fanfares de Nismes, de Koninklijke harmonie Dout en de Royale Fanfare Amitié «Les Noirs» d'Eugies.

Als componist schreef hij vooral werken voor harmonieorkest.


THE GLENN MILLER STORY

American Patrol (Meacham); Missouri Waltz (Logan); Star Dust (Carmichael); Little Brown Jug (Eastburn); I Know Why (Warren); Pennsylvania 6-5000 (Gray); Moonlight Serenade (Miller); In the Mood (Garland);

Alton Glenn Miller (Clarinda (Iowa), 1 maart 1904 – ongeval boven Het Kanaal, 15 december 1944) was een Amerikaanse jazztrombonist, bigbandleider en arrangeur toen de swing populair was.

Miller werd beroepsmusicus tijdens de jaren twintig en speelde onder meer bij de orkesten van Ben Pollack, Red Nicholls en Smith Ballew. In 1933 werd hij muzikaal leider en arrangeur van het Dorsey Brothers orkest dat hij, moe van de vele ruzies tussen de broers, in 1934 verliet. Voor Ray Noble, een bekende Engelse orkestleider die zijn carrière in de VS voortzette, stelde hij een orkest samen dat enige tijd zeer populair was. Inmiddels overtuigd van zijn kwaliteiten als leider, organisator en arrangeur wilde Miller een eigen band. Eind 1936 verliet hij Noble, freelancete als arrangeur (o.a. voor Bob Crosby en Glen Grays Casa Loma Orchestra) en richtte in 1937 zijn eigen orkest op, met in de gelederen een aantal bekende musici (o.a. Charlie Spivak, Irving Fazola en Sterling Bose). Doordat succes uitbleef ontbond hij de band op oudejaarsdag 1937.

Begin 1938 probeerde Miller het opnieuw, ditmaal met allemaal jonge, onbekende musici. Na een jaar van wisselend succes sloeg de band begin 1939 opeens aan. Hij realiseerde zich dat, door het benadrukken van de door hem ontdekte typische sound (gevormd door het samenspel van een klarinet en een tenor-saxofoon die de melodielijn spelen en de drie overige saxen die harmoniseren), zijn band een onmiddellijke herkenbaarheid kreeg. Door deze sound te koppelen aan een uitgekiende mix van populaire liedjes, snelle, virtuoze bigband nummers en medleys van oude en nieuwe nummers ("something old, something new, something borrowed and something blue") was Millers band tussen 1940 en 1942 het meest populaire dansorkest van de VS.

Zijn bekendste compositie is Moonlight Serenade. Andere zeer bekende hits zijn: Chattanooga Choo Choo, Pennsylvania 6-5000, A String of Pearls, Tuxedo Junction en In the Mood. De zang werd verzorgd door onder meer Tex Beneke (tevens saxofonist), Ray Eberle, Marion Hutton, Paula Kelly en de vocal harmony-groep The Modernaires.

In 1942 nam Glenn Miller dienst bij de United States Army en werd tot kapitein benoemd. Hij werd orkestleider van de Army Air Force Band met als taak optredens te verzorgen voor de Amerikanen die overzee vochten in de geallieerde strijdkrachten.

Op 15 december 1944 zou hij van Engeland naar Parijs vliegen, maar hij kwam daar nooit aan. Officieel was het toestel in zeer slecht weer terechtgekomen en neergestort in Het Kanaal. Aangezien zijn lichaam en het wrak van het vliegtuig niet werden teruggevonden gaf zijn dood aanleiding tot speculaties.

Een bewijs voor een andere dan de officiële doodsoorzaak zou kunnen worden gevonden in de verklaring die bommenwerperpiloten aflegden. Op de dag dat Glenn Miller verdween zagen zij eenzelfde type vliegtuig onder zich vliegen op het ogenblik dat zij boven het Kanaal hun bommen dropten na een afgebroken missie.

Een aantekening in een notitieboekje van de toen 17-jarige vliegtuigspotter Richard Anderton werpt ander licht op de vliegtuigcrash.Hij spotte op 15 december 1944 een Norseman ten oosten en ten westen van Londen.Volgens deze gegevens bevond het vliegtuig zich ver verwijderd van de zone boven zee waar vliegtuigen hun overbodige bommen konden lossen en vloog het ook niet in de richting van dit gebied.Richard Anderton, die in 1982 overleed, maakt het aannemelijk dat het vliegtuig van Miller neergestort is als gevolg van een fout van de piloot of een mechanisch mankement, zoals ook de officiële verklaring toentertijd was.


MY FAIR LADY

My Fair Lady is een musical gebaseerd is op het toneelstuk Pygmalion (1912) van George Bernard Shaw. De tekst voor de musical werd geschreven door Alan Jay Lerner en de muziek door Frederick Loewe. De musical werd bekroond met een Tony Award.

De wereldpremière van de musical vond plaats in 1956 in het Mark Hellinger Theatre op Broadway. De titel van het stuk is een spel met woorden. De letterlijke betekenis van My Fair Lady is Mijn schone dame, maar My Fair is tevens de manier waarop in plat-Londens de wijk Mayfair wordt uitgesproken. In deze chique wijk speelt het verhaal zich af. We schrijven het jaar 1912

Eliza Doolittle is een jonge vrouw uit de arbeidersklasse die bloemen verkoopt op Covent Garden. Ze heeft weinig manieren en ze praat plat Engels. Op een dag zien Henry Higgins en Kolonel Pickering haar bloemen verkopen op de markt. Higgins gaat een weddenschap aan met zijn vriend kolonel Pickering dat hij erin zal slagen om Eliza in korte tijd niet alleen perfect Engels te leren maar haar ook de gangbare etiquette in de hogere kringen eigen te maken. Hij slaagt uiteindelijk in zijn opzet, maar tijdens het proces is Eliza zodanig geëmancipeerd geraakt, dat zij aangeeft niet langer afhankelijk te zijn van Higgins en haar eigen weg te kunnen gaan


A KAEMPFERT'S SWING COLLECTION

Bert Kaempfert, geboren Berthold Kämpfert (Hamburg, 16 oktober 1923 - Majorca, 21 juni 1980) was een Duits componist, arrangeur en bigbandleider. Bert Kaempfert behoorde samen met Horst Wende, zijn ontdekker voor Polydor/Siemens & Max Greger & Hans, Robert & Werner Last, tot de succesvolste Duitse orkestleiders van na de Tweede Wereldoorlog in de veelal Amerikaanse Nightclubs. Gedurende een korte periode trad hij op onder het pseudoniem Bob Parker.

Op de muziekschool in Hamburg studeerde hij meerdere muziekinstrumenten, piano, klarinet, saxofoon en accordeon. Hij begon zijn carrière als saxofonist bij het radio-orkest van Hans Busch in Danzig. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef hij in gevangenschap in Denemarken waar hij verliefd werd op een jonge Deense. Uit deze relatie werd zijn oudste dochter geboren. Eveneens tijdens die periode formeerde hij zijn eerste bigband Pik Ass. Na de oorlog ging hij met deze band op de schnabbeltour langs Amerikaanse officiersclubs in Noord-Duitsland.

Aan het eind van de veertiger jaren componeerde en arrangeerde hij hoofdzakelijk voor de NDR en Polydor. Begin 1952 stapte hij naast Horst Wende als tweede man in bij Polydor/Siemens team als producer. Voor Freddy Quinn bijvoorbeeld produceerde hij in 1959 Die Gitarre und das Meer, wat een grote hit werd. Ook bewerkte Kaempfert het Duitse volksliedje "Muss i denn zum Städtele hinaus" dat onder de titel "Wooden Heart" Elvis Presley een wereldsucces opleverde.

Met Wonderland by Night maakte Kaempfert in 1960 zijn grote internationale doorbraak: In 1961 stond deze hit vijf weken nummer één in de Verenigde Staten, dat was de eerste keer dat een Duitser een nummer één-hit had in de VS. Een andere compositie van hem Morgen bereikte eveneens een hoge klassering in de Amerikaanse Top 20. Zijn absolute top bereikte Bert met zijn nummer "Strangers In The Night" het nummer dat door mister "Ol' Blue Eyes" Frank Sinatra tot de grootste werteldhit van en voor Bert gezongen werd.

In 1961 is hij verantwoordelijk voor de opnames van de zanger Tony Sheridan, die wordt begeleid door een tot dan toe onbekende band, The Beatles.

Zijn compositie African Beat (1962) is de herkenningsmelodie geworden van het sprookje de Indische waterlelies in de Efteling, waar het wordt gespeeld door een kikkerorkest en een ganzenemsemble.

Het nummer Living it up uit 1963 was de tune van de Vlaamse jeugdserie Kapitein Zeppos.

Bert Kaempfert stierf plotseling op 56-jarige leeftijd op Majorca ten gevolge van een beroerte.

Kaempferts muziek kan wel omschreven worden als easy listening-muziek. Vaak wordt zijn muziek als achtergrondmuziek gebruikt. Bijna iedereen kent wel zijn A Swingin' Safari, Red Roses for a Blue Lady en Spanish Eyes. Met zijn compositie Strangers in the Night behaalde Frank Sinatra een wereldhit, evenals Al Martino met Spanish Eyes.

Kaempfert schreef zo'n 400 composities en maakte zeker 750 orkestarrangementen. Tot aan zijn dood werden er wereldwijd 150 miljoen platen met zijn melodieën verkocht.

In de ritmesectie van Kaempferts orkest zaten meestal twee bassisten. De eerste bassist speelde jazzy baslijnen op contrabas ("walking bass"). De tweede bassist speelde gedempte staccato basgitaar met plectrum. De basgitarist (meestal Ladi Geisler) maakte hiervoor gebruik van een 6-snarige bas, de Fender VI. Deze basgitaartechniek werd bekend als de zogenaamde "Knackbass". De twee bassisten speelden of hetzelfde loopje (contrabas dubbelde dan de noten, bijvoorbeeld op A Swinging Safari) of speelden een tegengesteld loopje (Living it Up) of in after-beat (duidelijk hoorbaar in Black Beauty waar de `punchy` bas aan het einde eerder stil valt).

Dit dubbel basgebruik bepaalt voor een groot deel de meteen herkenbare "Kaempfert-Sound". James Last was een van de eersten die beide instrumenten gebruikte in zijn orkest, maar weliswaar speelden beide bassen in zijn arrangementen (anders dan bij Kaempfert) veelal een identieke baslijn. Ook in country en rockabilly werd vaak gebruikgemaakt van een ontdubbelde baslijn, veelal omdat het zachtere geluid van de contrabas technisch gezien zeer moeilijk was om op te nemen. De basgitaar (of baritongitaar) speelde dan dikwijls zogenaamde "tic-tac bass".


SATURDAY NIGHT FEVER

Saturday Night Fever is een Amerikaanse muziekfilm uit 1977, geregisseerd door John Badham. De film vertelt het verhaal van Tony Manero, gespeeld door John Travolta, een probleemjongere uit Brooklyn die om zijn problemen te vergeten, de plaatselijke discotheek induikt, waar hij zich ontpopt tot de koning van de dansvloer.

Tony Manero is een medewerker in een verfwinkel in Brooklyn, New York City, die alles zou doen om aan zijn uitzichtloze leven te ontsnappen. Deze ontsnapping vindt hij in de plaatselijke discotheek, waar hij, gehuld in een wit pak, de koning is van de dansvloer. In deze discotheek ontmoet hij Stephanie (Karen Lynn Gorney), en ze besluiten samen te dansen in een danswedstrijd. Stephanie droomt ervan om te ontsnappen uit Brooklyn naar een leven aan de andere kant van de rivier, in het glamoureuze Manhattan. Ook Tony begint deze verlangens te koesteren.

De film is gebaseerd op een tijdschriftartikel van Nik Cohn, Tribal Rites of the New Saturday Night genaamd. Cohn gaf later toe dat hij het artikel geheel had verzonnen, omdat hij niets begreep van de nieuwe subcultuur waar hij onderzoek naar moest doen.

Saturday Night Fever was in 1977 een groot succes en maakte een superster van Travolta, in zijn eerste filmhoofdrol en tot dan toe enkel bij het Amerikaanse publiek bekend van zijn rol in de televisieserie Welcome Back, Kotter. Hij werd dat jaar tevens genomineerd voor de Oscar voor Beste Acteur. Ook droeg de film bij tot de populariteit van disco, dat zich dankzij deze film ontwikkelde van een ondergrondse muziekstroming in de VS tot het populairste muziekgenre van dat moment. Uiteindelijk bracht de film 74,1 miljoen dollar op aan kaartverkoop, waarmee het een van de eerste grote blockbusters was.

Travolta heeft veel tijd besteed aan het instuderen van de danspasjes. Hij hechtte hier zoveel belang aan, dat hij Badham overtuigde om de danspassages niet in close-up op te nemen, zoals eerst de bedoeling was, maar van op een afstand. Verscheidene scènes uit de film, zoals de danspasjes op de discovloer en Travolta's loopje in de openingsscène op de wijs van Stayin' Alive van de Bee Gees, zijn regelmatig geïmiteerd en geparodieerd, zowel in films als Airplane! en Boogie Nights als in het echt op de dansvloer.

Met de film kwam ook een album uit, Saturday Night Fever, met daarop onder andere zes nummers van de Bee Gees, die ook de muziek van de film hadden gecomponeerd. De verkoopcijfers van dit album en de singles die ervan kwamen, waren in de eerste maanden van 1978 zo hoog, dat het niet duidelijk was of het succes van de film bijdroeg aan het succes van het album of andersom. Soms stonden wel vier singles in de hitlijsten. Uiteindelijk werd Saturday Night Fever een van de best verkochte albums aller tijden. Door deze film ontstond er een nieuwe relatie tussen film en muziek: was het album voor Saturday Night Fever nog een merchandise-trucje om een slaatje te slaan uit het succes van een film, na Saturday Night Fever werd duidelijk dat een film ook gebruikt kon worden als reclame voor de verkoop van een album.


DIRTY DANCING

Dirty Dancing is een muzikale film uit 1987 over een meisje (Francis) dat verliefd wordt op haar dansleraar, die ze leert kennen wanneer ze met haar ouders op vakantie is. Ze leert van hem de Mambo, een sensuele Latijns-Amerikaanse dans.

De hoofdrolspelers waren Jennifer Grey en Patrick Swayze. De film werd geregisseerd door Emile Ardolino.

Het is de zomer van 1963 en Frances gaat samen met haar ouders en zus op vakantie. Haar vader, haar grote held, is arts en heeft volgens de eigenaar (Max Kellerman) van het hotel zijn leven gered. Frances wordt door iedereen liefkozend "Baby" genoemd, hier wordt ze soms mee belachelijk gemaakt. In het hotel bij het vakantiepark waar ze logeren, zijn twee soorten personeel: entertainment- en restaurantpersoneel. Het restaurantpersoneel bestaat uit studenten van Yale en Harvard, die van Max Kellerman o.a. de dochters van de gasten moeten vermaken, door ze 'de sterren te laten zien'. Het entertainmentpersoneel dat verantwoordelijk is voor het muzikale en dans vermaak, mag dit echter niet. Max probeert zijn kleinzoon Neill aan Baby te koppelen, hoewel Baby niet veel ziet in zijn arrogante karakter.

Op een avond, als ze even kan loskomen van Neill, gaat Baby op pad en komt ze terecht in de personeelsruimten. Het neefje van Johnny Castle, één van de professionele dansers, komt haar tegen en wil haar in eerste instantie wegwerken, aangezien zij niet mag weten wat er gebeurt in de personeelsruimte. Uiteindelijk neemt hij haar op sleeptouw mee. Daar in die "geheime ruimte" zijn ze allemaal aan het 'dirty dancen'. Ze is erg gegeneerd door de manier waarop er gedanst wordt.

Als ze haar ogen laat vallen op het danspaar Johnny & Penny, die zij eerder de mambo zag dansen in het hotel, lijkt ze geïnteresseerd te raken in het dansen. Ze is echter te verlegen om mee te doen. Johnny vraagt haar uiteindelijk spontaan ten dans, met wat twijfel accepteert ze zijn aanbod. Hoewel ze eerst erg houterig danst, heeft ze het erg naar haar zin. Als ze de smaak eenmaal te pakken heeft, is Johnny plotseling verdwenen uit zicht, wat Baby onzeker achterlaat.

Als Baby op een avond met Neill opgescheept zit, wandelen zij langs het water en besluiten om naar de keuken te gaan om iets te eten of drinken. Daar ziet Baby in een verborgen hoekje de danspartner van Johnny, Penny zitten. Ze lijkt erg van streek. Als ze Neill eenmaal afgewimpeld heeft, gaat ze naar het neefje van Johnny om hem te informeren over Penny. Samen met Johnny en zijn neef gaat Baby mee om Penny uit de keuken te halen. Als ze met z'n vieren privé zitten, verklapt de neef van Johnny per ongeluk aan Baby dat Penny zwanger is en Penny laat per ongeluk los dat de baby van Robbie Gould is, een ober in het hotel. Penny wil een abortus, maar dat kost 250 dollar en dat hebben ze niet. Baby probeert tot steun te zijn, maar Penny verdraagt haar hulp en aanwezigheid niet en verzoekt haar om terug te gaan naar de "kinderbox".

Baby regelt bij haar vader 250 dollar en dit wordt door Penny zeer gewaardeerd. Johnny ziet er echter niets in en heeft al gauw door dat ze het geld van pappie heeft afgetroggeld. Er is daarnaast nog een probleem, aangezien de arts alleen op de dag kan komen, dat Johnny met Penny moet dansen in het Sheldrake hotel. Na een discussie besluiten ze dat Baby in zal vallen voor Penny, zodat de dokter toch kan komen.

Na veel oefenen lukt het Johnny en Baby om de dans uit te voeren. Baby heeft helemaal de smaak te pakken en Penny neemt haar zelfs in vertrouwen, iets wat haar goed doet. Eenmaal in het Sheldrake hotel schrikken ze als ze een oud stel uit Kellermans (de Schumachers) zien in het Sheldrake hotel. De dans is, op een enkel foutje na, goed verlopen en Baby voelt zich er helemaal in thuis. Tussen Johnny en Baby lijken ondertussen wat vonkjes over te springen. Als ze weer terug zijn van het Sheldrake, ontdekken ze echter dat Penny niet goed is behandeld door de arts waarvoor zoveel is betaald, het bleek geen officiële arts te zijn. Penny lijdt heftige pijnen en zonder aarzeling haalt Baby haar vader, die Penny behandelt.

Hij ziet het hele entertainment clubje echter niet zo zitten en denkt dat Johnny Penny zwanger heeft gemaakt, nadat deze opbiechtte dat Penny bij hem hoorde (vriendschappelijk bedoeld). Dr. Houseman reageert erg kortaf tegen Johnny.

Baby's vader is boos op haar dat ze optrekt met zulke mensen en verbiedt haar nog langer met hen om te gaan. Daarnaast verzoekt hij haar om 'die troep' (make-up) van haar gezicht te verwijderen, voordat haar moeder het ziet. Die avond besluit Baby terug te gaan naar Johnny.

De spanningen hierom lopen tussen Baby en haar vader hoog op: ze krijgen ruzie. Een wat oudere en zeer gerespecteerde bezoekster van Kellerman's wil graag een speciale laatste avond met Johnny beleven, maar hij zegt dit af omdat hij met Baby wil zijn. Als de vrouw dit ontdekt, beschuldigt ze Johnny vals van diefstal. Baby vertelt de baas dat zij de hele nacht bij Johnny was en dat hij dus onschuldig is. Toch wordt Johnny ontslagen, omdat hij wat met Baby had. Als hij zonder trammelant opstapt, krijgt hij zijn bonus nog mee. Johnny moet afscheid nemen van Baby en vertrekt. Baby blijft verweesd achter en verveelt zich de laatste dagen op het park.

Kellerman's verzorgt aan het einde van de vakantie een afscheidsavond. Hier worden liederen gezongen en toneelstukjes gedaan. Normaal gesproken wordt er dan ook de mambo gedanst door Johnny en zijn danspartner. Als Johnny dan plotseling terugkomt, neemt hij Baby mee het podium op, hij spreekt hierbij de zeer bekende woorden tegen Baby's ouders "No one puts Baby in the corner". Op het podium legt hij aan het publiek uit dat hij altijd de laatste dans doet, maar dat dit eigenlijk niet meer mocht (door zijn ontslag). Hij draagt zijn neef op om de muziek te starten (I've had the Time of my Life), trekt zijn jas uit en voegt zich bij Baby op het podium. Hier dansen zij de sensuele dans en verrassen zij het publiek met een prachtige lift (die in het Sheldrake mislukte).

De vader van Frances ontdekt dan dat niet Johnny Penny zwanger heeft gemaakt, maar de ober Robbie Gould. Hij biedt zijn excuses aan aan Johnny. Tot slot dansen ze met zijn allen de nacht tegemoet.



DANCES WITH WOLVES

Dances With Wolves was in 1990 het film-epos van het jaar. Kevin Costner, regisseur en hoofdrolspeler, wist met deze productie 7 Oscars in de wacht te slepen. Het verhaal is een filmbewerking van een boek van Michael Blake.

De productie van de film kostte vijf jaar, met een budget van 19 miljoen dollar. De dialogen van de indianen worden in de Lakota-taal gesproken, en waren in de Engelse film ondertiteld. De muziek van John Barry werd zeer goed ontvangen.

De film speelt zich af in 1863 in Amerika. Luitenant Dunbar krijgt een afgelegen en verlaten post in Dakota toegewezen. Al gauw bemerkt Dunbar dat hij niet alleen is. Hij raakt bevriend met een wolf, die hij "Two-Socks" noemt. Vlakbij zijn post bevindt zich een Lakota indianenstam. De indianen van de stam zijn nieuwsgierig naar die witte vreemdeling.

Dunbar raakt bevriend met de stam en er bloeit een liefde op tussen hem en "Stands With a Fist", een blanke vrouw die als jong meisje in de stam werd opgenomen. Al snel blijkt dat de Frontier alleen maar opschuift en besluit Dunbar voor zijn nieuwe vrienden te kiezen in plaats van het aanstormende leger, waar hij onderdeel van uitmaakte.



THE PIRATES OF THE CARIBBEAN

Pirates of the Caribbean is een filmserie die werd geregisseerd door Gore Verbinski en geproduceerd door Jerry Bruckheimer. De reeks telt vier films, en een groot aantal spin-offs zoals boeken en spellen.

Toen de eerste geruchten over een mogelijke film van de gelijknamige Disney-attractie in 2002 rondgingen, zagen velen dit slechts als een promotiestunt van een van haar attracties. Bovendien waren eerdere piratenfilms als Cutthroat Island en films gebaseerd op Disney-attracties als The Country Bears in het verleden geen groot succes. Toch werd Pirates of the Caribbean: The Curse of the Black Pearl, met Johnny Depp als Jack Sparrow, op 9 juli 2003 uitgebracht en bracht wereldwijd 653 miljoen dollar op.

Dit succes leidde tot de productie van twee sequels met dezelfde bezetting. Pirates of the Caribbean: Dead Man's Chest werd in juli 2006 uitgebracht en brak al snel diverse records. Pirates of the Caribbean: At World's End, de laatste film uit de oorspronkelijke trilogie, werd gelijktijdig met Dead Man's Chest geproduceerd en werd eind mei 2007 uitgebracht.

In eerste instantie zou Alan Silvestri de muziek achter Pirates of the Caribbean componeren, maar Jerry Bruckheimer wilde liever dat de muziek gecomponeerd zou worden door Hans Zimmer, met wie Jerry Bruckheimer al samenwerkte voor onder andere The Rock, Pearl Harbor en Black Hawk Down. Hans Zimmer had het echter te druk met het componeren van de muziek voor The Last Samurai en nadat hij enkele thema's, die afstammen van zijn oudere werken, in een dag en een nacht schreef, moest Klaus Badelt met de rest van Mediaventures(het tegenwoordige Remote Control Productions), de studio van Hans Zimmer waar filmmuziekcomponisten samenwerken, de score afschrijven.

Dit is de reden dat op de cd staat 'Music composed by Klaus Badelt' en "score overproduced by Hans 'Long John' Zimmer". Zimmer voltooide wel de compositie van de muziek voor de twee sequels.

Ondanks dat de film een Disney-productie is, realiseerde Media Ventures voor de eerste Pirates of the Caribbean score een zware, symfonische score met Keltische invloeden. De muziek voor de tweede film, die dus wel gecomponeerd werd door Hans Zimmer, bevatte al iets minder van deze zware muziek. De derde soundtrack bevat heel veel nieuwe thema's die wel een hoog Disney-gehalte hebben.

The Curse of the Black Pearl

Jack Sparrow probeert de vloek van de Black Pearl te breken. De kapitein is Hector Barbossa, die Elizabeth Swann ontvoert om met haar bloed de vloek te verbreken. Barbossa weet echter niet dat hij niet haar bloed, maar dat van Will Turner nodig heeft om de vloek te verbreken. Will en Jack vormen samen een team om Elizabeth te bevrijden.

Dead Man's Chest

Jack Sparrow ontdekt dat hij nog in het krijt staat bij de legendarische Davy Jones, kapitein van het spookachtige schip de Flying Dutchman. Jack moet een manier zien te vinden om Davy Jones tevreden te stellen en zo aan de vloek te ontkomen.

At World's End

Will Turner, Elizabeth Swann en de teruggekeerde Hector Barbossa reizen samen met de crew van de Black Pearl naar Davy Jones' kist om Jack Sparrow te redden. Hierna begint het grote gevecht tegen de Britse Oost-Indische Compagnie van Cutler Beckett en tegen de gevreesde Davy Jones.

On Stranger Tides

Jack Sparrow ontmoet zijn oude vlam, Angelica. Zij heeft zijn hulp nodig om bij de Fontein van de Eeuwige Jeugd te komen. Ze probeert haar vader Blackbeard te verjongen, zodat hij meer tijd heeft om zijn ziel te verlossen. Het wordt een race tegen de Spanjaarden en de Engelsen, waarbij ze moordlustige zeemeerminnen en knorrige zombies moeten overleven.

Vijfde film

Jerry Bruckheimer bevestigde in oktober 2011 dat er een draaiboek voor een vijfde film klaarlag, maar dat het nog beter kon. In een interview liet acteur Kevin McNally weten dat mogelijk in de zomer van 2012 aan de productie zal worden begonnen. Vanwege het financiële succes van On Stranger Tides zal wellicht wederom Rob Marshall de film regisseren. Pirates of the Caribbean 5 zal naar verwachting in de voorjaar van 2014 in de bioscoop te zien zijn. Acteur Orlando Bloom liet weten dat hij graag zou meewerken aan het vijfde deel wanneer hij gevraagd zou worden.